Historische Prestatie-Index: Nederland op de Spelen

Updated oktober 2026
Licensed
usAvailable in US
Fast payouts
18+ Only
Nederlands hockeyteam viert olympische gouden medaille met oranje shirts en confetti

Het Nederlandse hockeyteam viert een historische olympische gouden medaille

De eerste stappen: Amsterdam 1928

Het Nederlandse hockey kent een rijke olympische geschiedenis die bijna een eeuw teruggaat. Wanneer we spreken over de oorsprong van ons olympische hockeyavontuur, moeten we terug naar 1928, toen Amsterdam gastheer was van de Olympische Spelen. Het was een tijd waarin hockey nog een heel andere sport was dan wat we vandaag kennen. Gespeeld werd er op gras, met houten sticks en een enthousiasme dat misschien wel groter was dan de technische vaardigheid.

Die eerste deelname aan een olympisch toernooi op eigen bodem was voor Nederland een leerzame ervaring. De verwachtingen waren bescheiden, en dat bleek ook realistisch. Het Nederlands team bestond grotendeels uit amateurs die hockey speelden naast hun reguliere baan of studie. Sommigen kwamen rechtstreeks van de universiteit, anderen combineerden hun sportieve ambities met een carrière in het bedrijfsleven. Het was een tijd waarin professionalisme in de sport nog ver weg was.

Toch presteerde Nederland verrassend goed in Amsterdam. De ploeg bereikte de finale, wat op zich al een prestatie van formaat was. Daar wachtte echter een tegenstander die op dat moment onaantastbaar leek: Brits-Indië. De Indiërs speelden hockey op een niveau dat de Europeanen simpelweg nog niet hadden gezien. Hun balbeheersing was fenomenaal, hun passing vloeiend, en hun scorend vermogen ongekend. Nederland verloor de finale met 3-0, maar niemand had schaamte over die uitslag. De Indiërs waren simpelweg van een andere planeet.

Die zilveren medaille in 1928 legde echter een fundament. Het bewees dat Nederland mee kon doen op het hoogste niveau, ook al was de afstand tot de absolute top nog aanzienlijk. Het zaad was geplant voor wat decennia later zou uitgroeien tot een hockeysupermacht.

Historische hockeywedstrijd Olympische Spelen Amsterdam 1928 op grasveld

Olympisch hockey in Amsterdam 1928 - Het begin van een rijke Nederlandse hockeytraditie

Decennia van opbouw (1928-1988)

De periode tussen 1928 en 1988 was voor het Nederlandse hockey een tijd van langzame maar gestage groei. Het waren decennia waarin de sport zich ontwikkelde van een hobbyistische bezigheid naar een serieuze competitieve discipline. Maar het waren ook decennia van frustratie, van bijna-successen en gemiste kansen.

Na het zilver in Amsterdam volgde in 1936 in Berlijn een bronzen medaille. Het was een bevestiging dat Nederland tot de subtop behoorde, maar ook een herinnering dat de absolute top nog altijd buiten bereik lag. India bleef domineren, gevolgd door Pakistan dat na de onafhankelijkheid in 1947 een eigen hockeymacht werd. De rivaliteit tussen India en Pakistan zou de sport decennialang beheersen.

In 1948, bij de Spelen van Londen, pakte Nederland opnieuw brons. Het patroon herhaalde zich: solide prestaties, maar net niet genoeg voor het allerhoogste. In 1952 in Helsinki volgde een zilveren medaille, de tweede in de geschiedenis. Nederland verloor de finale van India met 6-1, een uitslag die pijnlijk duidelijk maakte hoever de Aziaten nog altijd voor lagen.

Wat opvalt aan deze periode is de consistentie van Nederland. Terwijl andere Europese landen worstelden om überhaupt een olympisch ticket te bemachtigen, was Oranje vrijwel altijd van de partij en meestal goed voor een medaille. Het probleem was alleen dat het nooit de gouden was.

De jaren zestig en zeventig brachten verandering in het internationale hockey. De introductie van kunstgras revolutioneerde de sport. De snelheid van het spel nam toe, de technische eisen werden hoger, en landen die decennialang hadden gedomineerd op natuurlijk gras moesten zich aanpassen. Voor India en Pakistan was dit een ingrijpende verandering die hun speelstijl fundamenteel onder druk zette. Voor Europese landen als Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië opende het nieuwe mogelijkheden.

Toch vertaalde deze verschuiving zich niet onmiddellijk in Nederlandse successen. Bij de Spelen van 1972 in München eindigde Nederland vierde, net naast het podium. In 1976 in Montreal werd het een teleurstellende vijfde plaats. De Spelen van 1980 in Moskou werden door Nederland geboycot vanwege de Sovjet-invasie in Afghanistan, een gemiste kans die vooral pijnlijk was voor de generatie spelers die op dat moment in de kracht van hun carrière verkeerden.

Het waren frustrerende jaren voor het Nederlandse hockey. De kwaliteit was er, het talent was er, maar de resultaten bleven achter bij de verwachtingen. Toch werd er in deze periode gebouwd aan een infrastructuur die later vruchten zou afwerpen. De KNHB professionaliseerde, de clubcompetitie groeide in kwaliteit, en een nieuwe generatie coaches bracht moderne trainingsmethoden naar Nederland.

Het doorbraakjaar: Seoul 1988

De Olympische Spelen van 1988 in Seoul markeerden een keerpunt in de Nederlandse hockeygeschiedenis. Het was het moment waarop decennia van opbouw eindelijk resultaat begonnen te tonen. Het was ook het begin van een periode waarin Nederland zou uitgroeien tot een constante factor aan de wereldtop.

Nederlands hockeyteam in actie tijdens Olympische Spelen Seoul 1988 op kunstgras

Seoul 1988 - Het keerpunt in de Nederlandse olympische hockeygeschiedenis

Voor het eerst sinds 1952 won Nederland een olympische medaille bij de mannen: brons. Op papier lijkt dat misschien niet indrukwekkend, zeker vergeleken met de zilveren medailles uit het verleden. Maar de context was anders. Het internationale hockey was competitiever dan ooit, met sterke teams uit Duitsland, Australië, Groot-Brittannië en Pakistan die allemaal streden om de prijzen. Een bronzen medaille in dat veld was een prestatie om trots op te zijn.

Belangrijker dan de medaille zelf was de samenstelling van het team en de speelstijl die Nederland liet zien. Er stond een generatie spelers op die technisch vaardig was, fysiek sterk, en mentaal volwassen. Spelers als Marc Delissen, Floris Jan Bovelander en Ties Kruize vormden de kern van een ploeg die hongerig was naar succes. Ze speelden een attractief, aanvallend hockey dat het publiek aansprak.

Seoul 1988 was ook het moment waarop het Nederlandse vrouwenhockey zich voor het eerst manifesteerde op de Olympische Spelen. De dames pakten eveneens brons, een resultaat dat de potentie van het vrouwenprogramma onderstreepte. Het zou het begin zijn van een dominantie die later nog veel groter zou worden dan die van de mannen.

De bronzen medailles van Seoul gaven het Nederlandse hockey een enorme impuls. De belangstelling voor de sport groeide, de clubcompetitie floreerde, en de nationale teams kregen meer ondersteuning. Het was alsof Nederland eindelijk geloofde dat het tot de absolute wereldtop kon behoren. En dat geloof zou de motor worden achter de successen die zouden volgen.

De gouden jaren: Atlanta en Sydney

Als er één periode is die het Nederlandse mannenhockey definieert, dan is het de tweede helft van de jaren negentig. Het waren de jaren van goud, van legendarische finales, en van een generatie spelers die tot de beste aller tijden behoort.

De weg naar die successen begon met de aanstelling van Roelant Oltmans als bondscoach. Oltmans was een visionair die moderne trainingsmethoden combineerde met een diep begrip van de sport. Hij bouwde een team dat niet alleen technisch uitblonk, maar ook tactisch superieur was. Zijn filosofie was eenvoudig maar effectief: domineer het middenveld, creëer kansen, en maak ze af met strafcorners.

Nederlandse strafcorner specialist schiet op doel tijdens olympische finale jaren negentig

De legendarische Nederlandse strafcorner - Het wapen van de gouden jaren in Atlanta en Sydney

In 1996, bij de Olympische Spelen van Atlanta, kwam alles samen. Nederland bereikte de finale tegen Spanje, een land dat in de jaren tachtig en negentig tot de subtop behoorde maar nog nooit een grote prijs had gewonnen. De wedstrijd begon zenuwachtig. Spanje kwam zelfs op voorsprong, wat bij menig Nederlandse fan het ergste deed vrezen. Maar toen kwam Floris Jan Bovelander.

Bovelander was niet volledig fit die dag. Een blessure had hem de weken voor de finale geplaagd, en er was twijfel of hij wel kon spelen. Maar grote spelers presteren op grote momenten. Bovelander scoorde twee keer uit strafcorners, allebei onhoudbaar voor de Spaanse doelman. Bram Lomans voegde er een derde aan toe, en Nederland won met 3-1. Voor het eerst in de geschiedenis waren de Nederlandse hockeymannen olympisch kampioen.

De beelden van die finale in Atlanta zijn gegrift in het collectieve geheugen van Nederlandse sportfans. Het moment waarop het eindsignaal klonk, de spelers die elkaar omhelsden, de tranen van vreugde. Het was meer dan alleen een sportieve overwinning. Het was het bewijs dat Nederland op het hoogste niveau kon presteren, dat al die jaren van opbouw eindelijk waren beloond.

Vier jaar later, in Sydney 2000, volgde de prolongatie. Dit keer was de weg naar goud nog spannender, nog dramatischer. De finale tegen Zuid-Korea leek onder controle toen Nederland vijf minuten voor tijd met 3-1 leidde. Stephan Veen, de aanvoerder en beste speler van het team, had alle drie de Nederlandse doelpunten gescoord. Het goud leek binnen handbereik.

En toen gebeurde het ondenkbare. Zuid-Korea scoorde twee keer in korte tijd, beide keren uit strafcorners waar de Nederlandse verdediging leek te slapen. Plotseling stond het 3-3 en moesten er strafballen worden genomen. De spanning was bijna ondraaglijk. Vijf Nederlandse spelers moesten een strafbal nemen, vijf Zuid-Koreanen eveneens. Wie de meeste zou scoren, zou olympisch kampioen worden.

De strafballenserie ging de geschiedenisboeken in als een van de meest zenuwslopende ooit. Na negen strafballen was de stand gelijk. De tiende en laatste strafbal was voor Stephan Veen. Als hij scoorde, was Nederland kampioen. Als hij miste, zou de serie worden verlengd. Veen schoot koelbloedig binnen. De Zuid-Koreaanse schutter miste. Nederland was voor de tweede keer op rij olympisch kampioen.

Die avond in Sydney was het afscheid van een gouden generatie. Veen, Ronald Jansen, Jacques Brinkman, Wouter van Pelt, ze speelden allemaal hun laatste interland. Ze deden dat met een gouden medaille om de nek, het perfecte einde van een ongelooflijke periode. Het waren spelers die het Nederlandse hockey naar een niveau hadden getild dat niemand voor mogelijk had gehouden. Hun erfenis zou nog decennialang doorwerken.

Tegenslagen en de weg terug (2004-2020)

Na de gouden jaren van Atlanta en Sydney volgde een periode die gekenmerkt werd door hoge verwachtingen en pijnlijke teleurstellingen. Nederland bleef tot de wereldtop behoren, maar de hoofdprijs bleef uit. Het was een tijd van bijna-successen die des te pijnlijker waren na de triomfen van de jaren negentig.

In Athene 2004 bereikte Nederland opnieuw de olympische finale. De tegenstander was Australië, een land dat na jaren van opbouw eindelijk klaar leek voor de grote prijs. De wedstrijd was evenwichtig, met beide teams die kansen creëerden maar niet scoorden. Na de reguliere speeltijd stond het 1-1. In de verlenging, met sudden death, was het Australië dat toesloeg. Een strafcorner in de laatste minuten van de verlenging betekende het einde van de Nederlandse hoop. Het zilver voelde als een nederlaag.

De Spelen van Beijing 2008 brachten meer teleurstelling. Nederland verloor in de halve finale van Spanje en moest het doen met een strijd om het brons. Die werd ook verloren, tegen Australië. Voor het eerst sinds 1984 ging Nederland zonder medaille naar huis. Het was een dieptepunt dat vragen opriep over de richting van het Nederlandse hockey.

Londen 2012 bracht hoop op herstel. Onder leiding van een nieuwe bondscoach bereikte Nederland opnieuw de finale, dit keer tegen Duitsland. Het was een wedstrijd die alle ingrediënten had voor een Nederlandse triomf. Duitsland was de underdog, Nederland de favoriet. Maar sport is onvoorspelbaar. Duitsland speelde de wedstrijd van hun leven en won met 2-1. Opnieuw zilver, opnieuw de pijnlijke wetenschap dat de gouden plak zo dichtbij was geweest.

De jaren na Londen waren een periode van herbezinning. Het Nederlandse hockey zocht naar nieuwe wegen, naar een speelstijl die zou passen bij een nieuwe generatie spelers. In Rio 2016 eindigde Nederland vierde, na verlies in zowel de halve finale als de strijd om brons. Het was het slechtste olympische resultaat in decennia.

De Spelen van Tokio 2020, uitgesteld naar 2021 vanwege de coronapandemie, brachten geen verbetering. Nederland werd al in de kwartfinales uitgeschakeld door Australië. Het was een schok, een moment van collectieve ontzetting. Hoe kon een hockeyland als Nederland zo vroeg stranden op een olympisch toernooi?

Achter de schermen werd hard gewerkt aan een nieuwe toekomst. Jeroen Delmee, zelf tweevoudig olympisch kampioen als speler, werd aangesteld als bondscoach. Delmee bracht een frisse wind, een nieuwe filosofie. Hij selecteerde jonge spelers, durfde keuzes te maken die controversieel waren, en bouwde aan een team dat niet belast was door de mislukkingen van het verleden. Het zou nog even duren voordat zijn aanpak vruchten zou afwerpen, maar de basis voor een nieuwe gouden generatie werd gelegd in die jaren na Tokio.

Parijs 2024: een nieuwe generatie schrijft geschiedenis

Wanneer de geschiedenisboeken worden geschreven over het Nederlandse hockey, zal Parijs 2024 een prominent hoofdstuk krijgen. Het was het moment waarop een nieuwe generatie opstond en bewees dat Nederland nog altijd tot de absolute wereldtop behoort. Het was ook het moment waarop de cirkel werd gesloten, waarop de erfenis van 1996 en 2000 werd doorgegeven aan een nieuwe lichting.

Nederlandse keeper stopt shoot-out tijdens olympische finale Parijs 2024

Parijs 2024 - Een nieuwe generatie Nederlandse hockeyers schrijft olympische geschiedenis

De aanloop naar Parijs was niet zonder zorgen. Na het debacle van Tokio waren de verwachtingen getemperd. Jeroen Delmee had een relatief onervaren selectie samengesteld, met veel spelers die hun eerste Olympische Spelen zouden meemaken. De media waren voorzichtig, de bookmakers niet overtuigd. Nederland werd gezien als een outsider, niet als de favoriet.

Maar Delmee wist precies wat hij deed. Hij had een team gebouwd dat niet alleen technisch vaardig was, maar ook mentaal sterk. Spelers als Thierry Brinkman, Justen Blok en Pirmin Blaak vormden de ruggengraat van een ploeg die speelde met een vrijheid en een durf die verfrissend waren. Ze waren niet belast door verwachtingen, niet geïntimideerd door grote namen. Ze speelden gewoon hockey, en ze deden dat verdomd goed.

De groepsfase verliep solide. Nederland won de meeste wedstrijden, verloor alleen van Duitsland, en plaatste zich overtuigend voor de knock-outfase. In de kwartfinales werd Australië verslagen, een symbolische overwinning na de pijnlijke eliminatie in Tokio. De halve finale tegen Spanje werd met 4-0 gewonnen, een demonstratie van Nederlands hockey op zijn best.

En toen was daar de finale. Duitsland, de tegenstander die Nederland in 2012 de titel had afgenomen. De wedstrijd was precies wat je van een olympische finale mocht verwachten: intens, tactisch, en zenuwslopend. Beide teams creëerden kansen, beide teams verdedigden met alles wat ze hadden.

Het was Thierry Brinkman die Nederland op voorsprong zette. De zoon van Jacques Brinkman, zelf tweevoudig olympisch kampioen, scoorde op aangeven van Koen Bijen. Het was een moment vol symboliek, een vader-zoon verhaal dat zelfs de meest cynische sportfan kon ontroeren. Maar Duitsland kwam terug via een strafcorner, en na zestig minuten stond het 1-1.

Shoot-outs. Het woord alleen al bezorgt Nederlandse hockeyfans hartkloppingen. De herinneringen aan Sydney 2000 kwamen boven, aan die zenuwslopende strafballenserie die uiteindelijk goed afliep. Zou de geschiedenis zich herhalen?

In de shoot-outs groeide doelman Pirmin Blaak uit tot de held. Hij stopte drie van de vier Duitse pogingen, een prestatie die hem onsterfelijk maakte in de Nederlandse sportgeschiedenis. Duco Telgenkamp schoot de beslissende shoot-out binnen, en Nederland was voor de derde keer olympisch kampioen. Na 24 jaar wachten was het goud eindelijk terug.

De beelden van die avond in Parijs zijn onvergetelijk. Blaak die in tranen wordt omhelsd door zijn teamgenoten. Delmee die huilend langs de kant staat, wetend dat zijn missie volbracht is. Brinkman die naar de hemel wijst, naar zijn vader die hem op dit moment vast ergens toekijkt. Het was sport op zijn mooist, emotie in zijn puurste vorm.

Maar het verhaal van Parijs 2024 gaat verder dan alleen de mannen. Een dag later werden ook de Nederlandse vrouwen olympisch kampioen, na een even spannende finale tegen China die eveneens in shoot-outs werd beslist. Het was de eerste keer ooit dat Nederland bij zowel de mannen als de vrouwen goud pakte op dezelfde Olympische Spelen. Een unicum in de hockeygeschiedenis, een prestatie die misschien nooit meer geëvenaard zal worden.

Hoewel Nederland erg succesvol is op het veld, wordt het historische record nog altijd gehouden door de legendarische olympische dominantie van India in hockey met maar liefst acht gouden medailles.

Legendarische Nederlandse hockeyers

De geschiedenis van het Nederlandse olympische hockey is geschreven door buitengewone individuen. Spelers die niet alleen technisch uitblonken, maar ook het vermogen hadden om op de grootste momenten te presteren. Laten we enkele van hen eren.

Artistieke eerbetoon aan legendarische Nederlandse olympische hockeyspelers door de jaren heen

Legendarische Nederlandse hockeyspelers - Generaties van olympische kampioenen

Floris Jan Bovelander is voor velen de ultieme strafcornerspecialist. Zijn sleepshots waren legendarisch, vrijwel onhoudbaar voor welke keeper dan ook. In Atlanta 1996 was hij de held van de finale, scorend ondanks een blessure die hem normaal aan de kant zou hebben gehouden. Bovelander belichaamde de Nederlandse mentaliteit: geen excuses, gewoon presteren wanneer het ertoe doet.

Stephan Veen wordt door kenners vaak genoemd als de beste Nederlandse hockeyer ooit. Zijn techniek was verfijnd, zijn spelinzicht ongeëvenaard, en zijn vermogen om op cruciale momenten te scoren maakte hem tot een legende. De finale van Sydney 2000, waarin hij alle Nederlandse doelpunten maakte inclusief de beslissende strafbal, is het hoogtepunt van zijn carrière. Veen combineerde elegantie met effectiviteit op een manier die sindsdien niet meer is geëvenaard.

Jacques Brinkman was de motor van het Nederlandse middenveld in de gouden jaren. Zijn uithoudingsvermogen was legendarisch, zijn passievermogen cruciaal voor het teamspel. Brinkman speelde in drie olympische finales en won er twee. Dat zijn zoon Thierry in 2024 eveneens olympisch kampioen zou worden, maakt hun familiegeschiedenis uniek in de Nederlandse sport.

Teun de Nooijer houdt met 453 interlands het record voor meeste wedstrijden in Oranje. Zijn carrière strekte zich uit over vijf Olympische Spelen, een bewijs van zijn uitzonderlijke talent en toewijding. De Nooijer was een speler die altijd leverde, een professional tot in zijn vezels.

Jeroen Delmee verdient een speciale vermelding, niet alleen als speler maar ook als coach. Als speler won hij twee keer olympisch goud, in 1996 en 2000. Als coach leidde hij een nieuwe generatie naar de titel in 2024. Weinig mensen hebben zo'n stempel gedrukt op het Nederlandse hockey als Delmee.

Bij de vrouwen is Eva de Goede wellicht de grootste naam. Ze won drie olympische gouden medailles en wordt door velen beschouwd als de beste hockeyster aller tijden. Haar spelinzicht, leiderschap en technische vaardigheid maakten haar tot het kloppende hart van Oranje gedurende meer dan een decennium.

Pirmin Blaak schreef in Parijs 2024 zijn naam in de geschiedenisboeken. Zijn prestaties in de olympische finale, waar hij drie shoot-outs stopte, zullen nooit worden vergeten. Blaak bewees dat een keeper wedstrijden kan winnen, dat één moment van briljantie het verschil kan maken tussen zilver en goud.

Deze spelers, en vele anderen die hier niet genoemd zijn, hebben het Nederlandse hockey gevormd tot wat het vandaag is. Hun erfenis leeft voort in elke jeugdspeler die droomt van Oranje, in elke coach die streeft naar excellentie, in elke finale die Nederland speelt.

De toekomst van TeamNL hockey

Met het dubbele goud van Parijs 2024 nog vers in het geheugen, rijst de vraag: wat brengt de toekomst voor het Nederlandse hockey? Kan de dominantie worden voortgezet, of was Parijs een laatste opflakkering van een gouden tijdperk?

De tekenen zijn hoopvol. De infrastructuur van het Nederlandse hockey is sterker dan ooit. De Hoofdklasse blijft de beste nationale competitie ter wereld, een kweekvijver voor talent die constant topspelers aflevert. De KNHB investeert fors in talentontwikkeling, met programma's die jonge spelers vanaf hun twaalfde begeleiden naar de top. De faciliteiten zijn excellent, de coaching van wereldniveau.

Maar er zijn ook uitdagingen. De internationale concurrentie groeit. België, dat in 2021 olympisch kampioen werd bij de mannen, heeft bewezen dat nieuwe landen de traditionele machten kunnen uitdagen. India is bezig aan een comeback, met grote investeringen en een nieuwe generatie talenten. Duitsland en Australië blijven sterke tegenstanders. De top van het wereldhockey is competitiever dan ooit.

Bij de Nederlandse mannen zal er sprake zijn van een generatiewisseling richting Los Angeles 2028. Ervaren krachten als Pirmin Blaak naderen het einde van hun carrière. Nieuwe talenten moeten opstaan om hun plaats in te nemen. De vraag is niet of Nederland talent heeft, want dat is er in overvloed. De vraag is of dat talent snel genoeg kan rijpen om op het hoogste niveau te presteren.

Bij de vrouwen is de situatie vergelijkbaar. Sterren als Eva de Goede hebben al afscheid genomen. Andere routiniers zullen volgen. Maar de Nederlandse talentenpijplijn is diep, met jonge speelsters die klaarstaan om de fakkel over te nemen. De dames hebben bovendien het voordeel van een winnende cultuur, een mentaliteit die succes verwacht en nastreeft.

Jeroen Delmee zal naar verwachting blijven als bondscoach van de mannen, althans in de aanloop naar Los Angeles. Zijn ervaring en tactische kennis zijn waardevolle bezittingen. Hij kent de druk van een olympisch toernooi, weet wat er nodig is om te winnen. Onder zijn leiding heeft Nederland de beste kansen op een succesvolle verdediging van de titel.

De volgende grote test komt bij de Olympische Spelen van 2028 in Los Angeles. Het zal de eerste keer zijn dat de Olympische Spelen worden gehouden in een land waar veldhockey relatief onbekend is. De omstandigheden zullen anders zijn dan in Parijs, de sfeer minder vertrouwd. Maar voor een hockeyland als Nederland zou dat geen obstakel moeten zijn.

De geschiedenis leert dat het Nederlandse hockey zich altijd heeft aangepast aan veranderende omstandigheden. Van gras naar kunstgras, van amateurisme naar professionalisme, van dominantie naar tegenslag en weer terug. Die veerkracht, dat vermogen om te blijven streven naar excellentie ondanks tegenslagen, is misschien wel de belangrijkste eigenschap van het Nederlandse hockey.

Wanneer de Spelen van Los Angeles 2028 beginnen, zal Nederland weer tot de favorieten behoren. Misschien niet met dezelfde spelers als in Parijs, maar met dezelfde mentaliteit, dezelfde toewijding aan de sport, dezelfde honger naar goud. Want dat is wat het Nederlandse hockey onderscheidt van de rest: een cultuur van excellentie die generatie na generatie wordt doorgegeven.

De cirkel die begon in Amsterdam 1928 draait nog altijd door. Van zilver naar brons, van frustratie naar triomf, van oude legendes naar nieuwe helden. Het verhaal van het Nederlandse olympische hockey is nog lang niet uitgeschreven. De mooiste hoofdstukken komen misschien nog wel.

Ontdek alle historische feiten, statistieken en goktips direct op de hoofdpagina van onze gids voor olympisch hockey.